Inhoudsopgave

1. Inleiding
2. Emotionele veiligheid
3. Persoonlijke competentie
4. Sociale competentie
5. Waarden en normen
6. Ouders

1. Inleiding

Met het pedagogisch beleid Buitenschoolse Opvang (BSO) willen wij richting geven aan het handelen van de pedagogisch medewerksters in het belang van het welbevinden van het kind dat de vestiging voor Buitenschoolse Opvang bezoekt. Het pedagogische beleidsplan is opgesteld om de volgende redenen:

het is een leidraad voor de pedagogische medewerksters en biedt houvast bij hun dagelijkse omgang met de kinderen. Het pedagogisch beleid is uitgewerkt in het Pedagogisch Werkplan voor pedagogisch medewerkers. Zonodig kunnen medewerkers worden aangesproken op hun handelen.
Het informeert ouders van kinderen die de BSO (gaan) bezoeken over onze werkwijze en de omgang met de kinderen.
Andere betrokkenen (bijvoorbeeld gemeente, GGD) kunnen inzicht krijgen in onze pedagogische werkwijze.

Wij gaan ervan uit dat ieder kind de drang in zich heeft om zich, in eigen tempo, te ontwikkelen. Elk kind is uniek door zijn eigen aanleg en temperament. Een veilige en stimulerende omgeving is een voorwaarde voor een gezonde en goede ontwikkeling van het kind. De inbreng van zowel het kind als de pedagogisch medewerkers staan hierbij centraal. Ons uitgangspunt bij het opvoeden is dat wij werken vanuit de basis van gelijkwaardigheid, veiligheid en wederzijds respect. Hierin besloten ligt de taak van de pedagogische medewerksters kinderen te stimuleren bij het ontdekken en ontwikkelen van hun mogelijkheden.

Het pedagogisch beleidsplan is opgesteld voor de BSO van Bambino BV. De groep biedt opvang aan kinderen in de leeftijd tussen vier en dertien jaar.
Bij BSO ‘Bambino' kunnen maximaal twintig kinderen per dag opgevangen worden. Het aantal aanwezige pedagogisch medewerkers is afhankelijk van het aantal kinderen dat aanwezig is. Bambino werkt met 1 stamgroep, één van 20 kinderen.

Bambino BV wil kwalitatieve goede en verantwoorde kinderopvang bieden: "kinderopvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige omgeving" (Wet kinderopvang, 2005).

De vier pedagogische opvoedingsdoelen die in de Wet kinderopvang genoemd worden, zijn
uitgangspunt bij het opstellen van dit pedagogisch beleidsplan. Deze vier pedagogische basisdoelen zijn:

het aanbieden aan kinderen van een gevoel van - emotionele- veiligheid
het bieden van gelegenheid tot het ontwikkelen van persoonlijke competentie
het bieden van gelegenheid tot het ontwikkelen van sociale competentie
het bieden van de kans om zich waarden en normen eigen te maken

2. Emotionele veiligheid

Wij zorgen ervoor dat het kind zich emotioneel veilig kan voelen. In het dagelijkse taalgebruik zeggen we dan dat het kind het naar zijn zin heeft, lekker in zijn vel zit. Dit zorgt er niet alleen voor dat het kind zich prettig voelt, het is ook een voorwaarde voor het kind om zich verder te kunnen ontwikkelen.

Dit doen we o.a. op de volgende manieren:

We vinden het belangrijk dat er op de BSO een ongedwongen, vrije sfeer is. Kinderen mogen daarom zelf invulling geven aan wat ze willen doen, met wie. Er zijn verschillende hoekjes ingericht waar de kinderen zich even kunnen terugtrekken (alleen of met een klein groepje kinderen). Kinderen kunnen er zelf voor kiezen of ze in of juist uit het zicht van de pedagogisch medewerkers gaan spelen. Door dit zelf te kunnen bepalen, ontstaat er een veilig gevoel. Toch is niet alles helemaal vrijblijvend. Er is een zekere mate van structuur (regels, regelmaat en gewoontes), omdat dit de kinderen duidelijkheid biedt. Het kind weet waar het aan toe is en wat hem te wachten staat. Het herkenbare, terugkerende geeft een gevoel van veiligheid en vertrouwen en bij jonge kinderen een tijdsgevoel waardoor de dag overzichtelijk wordt.
Om een relatie op te kunnen bouwen tussen een kind en een pedagogisch medewerker is het belangrijk dat er regelmatig onderling contact is. Dit begint bij de kennismaking (wennen) van het kind met de groep en de pedagogisch medewerkers ongeveer een week voordat het kind daadwerkelijk op de opvang komt. We gaan serieus om met de emoties van kinderen. Hierdoor leren we het kind beter kennen en het geeft het kind een gevoel van veiligheid. Het kind wordt geaccepteerd in het uiten van zijn blijheid, geluk, angst, boosheid, tevredenheid (enz) en leert met die emoties om te gaan. Wij willen het kind leren zijn emoties te uiten zonder anderen te kwetsen of pijn te doen.
Het contact met de ouders / verzorgers van het kind is erg belangrijk. Op die manier leer je het kind kennen zoals het thuis is en kun je met het kind over de thuissituatie praten. Het geeft het kind een veilig gevoel dat je zijn ouders / verzorgers kent. Omdat bij de BSO meestal alleen sprake is van (vaak korte) haalcontacten (met uitzondering van de schoolvakanties), wordt jaarlijks een thema-avond georganiseerd, waarbij ouders en andere familieleden van harte welkom zijn.
De pedagogisch medewerkers houden hierbij in de gaten of alle kinderen zich dan veilig kunnen voelen, zonder "last" te hebben van andere kinderen. Als een kind iets aan het vertellen is in de groep, krijgt het hiervoor ook de ruimte, en zorgen de pedagogisch medewerkers ervoor dat het kind niet gestoord wordt in zijn verhaal.

[terug naar boven]

 3. Persoonlijke competentie

Het is belangrijk dat kinderen de mogelijkheid krijgen persoonlijkheidskenmerken als
zelfstandigheid, zelfredzaamheid, zelfvertrouwen, flexibiliteit en creativiteit te ontwikkelen. Dit stelt hen namelijk in staat allerlei typen problemen adequaat aan te pakken, en zich goed aan te passen aan veranderende omstandigheden. In principe gebeurt het ontwikkelen van de persoonlijke competentie vanuit het kind zelf, door spel en door het ontdekken van de wereld om hem heen. We vinden het belangrijk kinderen te stimuleren dingen zelf te doen om ze op die manier te laten ervaren dat ze veel dingen al zelf kunnen. Dit geeft het kind zelfvertrouwen en kan een kans zijn tot verdere ontwikkeling.

Dit doen we o.a. op de volgende manieren:

We laten de kinderen zoveel mogelijk doen wat ze al zelf kunnen. De pedagogisch
medewerker probeert zoveel mogelijk hiervan op de hoogte te zijn van wat een kind al kan, en waar eventueel nog hulp geboden is. Denk hierbij aan dagelijkse handelingen zoals het strikken van schoenveters, het dichtritsen van de jas, maar ook het leren fietsen of bouwen met constructiemateriaal. Door het kind te stimuleren, aan te moedigen, samen naar oplossingen te zoeken en te complimenteren wanneer het goed gaat proberen we het kind te helpen. Dit stimuleert het zelfvertrouwen en de zelfredzaamheid van het kind.
De ruimte is zodanig ingericht dat kinderen zelf kunnen doen wat ze willen, en zelf het spel- of knutselmateriaal kunnen pakken wat ze willen. We laten de kinderen zoveel mogelijk zelf verzinnen op welke manier een spel gespeeld moet worden, of wat en hoe er geknutseld wordt.
We laten de kinderen zelf kiezen welke activiteit ze willen doen, en bieden daarbij nieuwe mogelijkheden en materialen aan. Als kinderen niet weten wat ze moeten doen / zich vervelen kunnen we ze kort een paar activiteiten voorstellen. Als ze hier geen zin in hebben, mogen ze zich even gaan "vervelen": dit stimuleert de kinderen zelf een oplossing te bedenken voor hun probleem, en daarmee dus de creativiteit.
Er is voldoende spelmateriaal aanwezig dat de persoonlijke competentie van kinderen stimuleert. Zo zijn er verschillende spelletjes waarbij kinderen oefenen in tactisch spel, kennis van cijfers, algemene kennis, motoriek en geduld. Door het spelen van spelletjes leren de kinderen (naast sociale vaardigheden) bovendien incasseren / verliezen.

[terug naar boven]

4. Sociale competentie

Het omgaan met andere leeftijdsgenootjes is een belangrijke manier om sociale competenties te ontwikkelen. Hieronder verstaan we o.a. zich in een ander kunnen verplaatsen, kunnen communiceren, samenwerken, anderen helpen, conflicten voorkomen en oplossen, het ontwikkelen van sociale verantwoordelijkheid. Dit geeft kinderen kansen zich te ontwikkelen als personen die goed functioneren in de samenleving.

Dit stimuleren we o.a. op de volgende manieren:

In de dagelijkse omgang is het noodzakelijk kinderen te stimuleren samen te spelen, te delen, op elkaar te wachten en samen op te ruimen. We stimuleren de kinderen elkaar te helpen, bijvoorbeeld door hen samen een taak te geven. De oudere kinderen stimuleren we samen een activiteit te organiseren (bijvoorbeeld het bedenken van een speurtocht, hindernisbaan).
We geven kinderen complimenten als ze zich prettig gedragen. Dit is een goede stimulerende beloning. Om alles zo goed mogelijk te laten verlopen zijn er verschillende regels, welke zoveel mogelijk met en door de kinderen gemaakt zijn. Wanneer een kind zich niet aan de regels houdt kunnen de pedagogisch medewerkers hierop inspelen en het betreffende kind aanspreken.
Schelden, schreeuwen, vloeken, slaan e.d. worden niet getolereerd. Samen met de kinderen zoeken we naar een compromis waarbij we er naar streven hen uit te leggen wat wel en niet aanvaardbaar is, en hoe we in die situatie rekening kunnen houden met elkaar.
Er is voldoende spelmateriaal aanwezig dat de sociale competentie van de kinderen stimuleert. Buitenspeelgoed als een voetbal, springtouw zorgt ervoor dat kinderen met elkaar gaan spelen. Binnen zijn er verschillende spelletjes die de kinderen samen kunnen doen. Deze spellen leren de kinderen op hun beurt te wachten, omgaan met winnen en verliezen. Ook zijn er verschillende hoeken ingericht, zoals een huis-/restaurant- / poppenhoek, een winkeltje. Kinderen spelen hier situaties na uit het "echte" leven, en leren hierdoor op een passende manier met elkaar omgaan.
We stimuleren een bepaalde mate van verantwoordelijkheidsgevoel. De oudere kinderen helpen en begeleiden de jongere kinderen bij bepaalde activiteiten. Dit kan heel klein en simpel van aard zijn, maar bevordert wel het verantwoordelijkheidsgevoel.

5. Waarden en normen

Kinderen moeten de kans krijgen om zich waarden en normen, de cultuur van de samenleving waarvan zij deel uitmaken, eigen te maken. Het is van belang dat kinderen leren om op een passende manier met andere kinderen en volwassenen om te gaan. De BSO wordt gezien als een aanvulling op de eigen gezinssituatie. Hier kan een kind in aanraking komen met andere aspecten en de diversiteit van onze samenleving.

Het gedrag van andere volwassenen (en dus ook van de pedagogisch medewerkers) speelt een
belangrijke rol bij de morele ontwikkeling van kinderen. Door hun reacties ervaren kinderen de grenzen van goed of slecht, van anders, van mogen en moeten.

Wij bieden de kinderen o.a. op de volgende manieren kans om zich waarden en normen eigen te maken:

Een kind leert respect voor anderen en zijn omgeving te hebben als het zelf met respect behandeld wordt. Dit willen wij proberen te bereiken door ons te verplaatsen in het gedrag van het kind en door duidelijk met het kind te praten over zijn gedrag.
We geven als pedagogisch medewerkers zoveel mogelijk het goede voorbeeld. Dit betekent dat de pedagogisch medewerkers ook met respect met elkaar omgaan, en met de kinderen. Hierbij hanteren we normaal taalgebruik, en houden we ons aan de regels die gezamenlijk afgesproken zijn. Van de kinderen verwachten we ook dat ze zich houden aan de (huis-)regels, en dat ze aardig tegen elkaar en de pedagogisch medewerkers doen (dus niet schelden, slaan, schoppen e.d.). Ook in het spel gelden bepaalde regels: als je samen ergens aan begint, maak je het samen af, samen opruimen als je samen gespeeld hebt.
Naast respect voor anderen vinden wij het belangrijk dat kinderen leren omgaan met materialen en de omgeving (wereld) om ons heen. Van de kinderen wordt verwacht dat ze voorzichtig omgaan met het speelgoed van de BSO of van de andere kinderen, en dat ze met respect omgaan met knutselwerken van andere kinderen. Wij willen kinderen leren met zorg om te gaan met de natuur en het milieu.

[terug naar boven]

6. Ouders

Contacten met ouders

Wij vinden het erg belangrijk dat de pedagogisch medewerkers en de leidinggevende een goedcontact met de ouders hebben. De basis hiervoor ligt al bij het intakegesprek, daarom zorgen we ook dat we hier de tijd voor nemen. Voor de pedagogisch medewerkers is het belangrijk te weten hoe het thuis gegaan is; zij kunnen daar op inspelen. Ook over belangrijke veranderingen in de thuissituatie (bijvoorbeeld een broertje of zusje op komst, verhuizing, overlijden van familielid, of echtscheiding) worden pedagogisch medewerkers graag op de hoogte gebracht, omdat dit vaak voor de kinderen ingrijpende gebeurtenissen zijn. Voor ouders is het belangrijk om te weten hoe de dag van hun kind verlopen is. De pedagogisch medewerkers proberen hier aan het einde van de dag voldoende tijd voor te maken. Informatie kan tijdens de schoolweken uitgewisseld worden wanneer ouders hun kind komen halen.

Eenmaal per jaar wordt er een thema-avond gehouden voor alle ouders en kinderen die
de buitenschoolse opvang bezoeken. Doel van deze avond is gezellig samenzijn, en aan ouders te laten zien wat de kinderen zoal doen tijdens de dagen dat ze op de BSO zijn.

Oudercommissie

De taak van de oudercommissie is het behartigen van de belangen van de ouders.
Minimaal twee en maximaal vijf ouders van kinderen die op de BSO geplaatst zijn, maken deel uit van de oudercommissie. De oudercommissie:
- denkt mee over het pedagogisch beleid van het KDV en de BSO,
- kan, gevraagd of ongevraagd, advies geven aan de leiding of de directie
- heeft geen beslissingsbevoegdheid, maar heeft een verzwaard adviesrecht op diverse punten,

Pedagogisch Beleid BSO BAMBINO
Lokatie Overijssellaan 309
2101TK Heemstede

Opgesteld augustus 2009

[terug naar boven]

Terug naar boven